Nieuwsarchief
Rekenlaboratorium
KPO is gestart met een rekenlab. Onder leiding van Frans Van Mulken, gepromoveerd onderzoeker op het gebied van rekendidactiek, gaan scholen, studenten en rekenexperts aan de slag met praktijkonderzoek.
Het lab heeft als algemeen doel te onderzoeken of het veranderen van sommige onderdelen binnen het bestaande programma van rekenen-wiskunde leidt tot onderwijs waar alle kinderen beter van worden in die zin dat zij meer dan voorheen met wiskundige middelen greep krijgen op de wereld om hen heen.
LIO-studenten kunnen solliciteren op de ontwikkelvragen van scholen. KPO stelt binnen het lab acht betaalde stageplaatsen beschikbaar.
Onderzoek naar een vernieuwende onderwijspraktijk op het gebied van rekenene-wiskunde in de bovenbouw
Onderzoekslab
Het onderzoekslab is een initiatief van KPO Roosendaal in samenwerking met Avans Pabo Breda. De bedoeling is een plaats te creëren waar wetenschap en praktijk elkaar ontmoeten met als doel om het beste uit alle leerlingen te halen op het gebied van rekenen-wiskunde. Een broedplaats van nieuwe ideeën die beproefd worden op de werkvloer, een kweekplaats voor leraar-onderzoekers, een leergemeenschap van opleidingsdocenten, leraren basisonderwijs en aankomende leraren die kennis met elkaar delen, uitwisselen en daarover publiceren.
De expertise vanuit de opleiding komt mede van Frans Van Mulken. Hij is behalve opleidingsdocent gepromoveerd onderzoeker en heeft in het verleden onder andere onderzoek gedaan naar het hoofdrekenen van basisschoolleerlingen. Hij publiceert over verschillende onderwerpen op het gebied van opleiding, onderwijs en didactiek van rekenen-wiskunde.
Achtergrond onderzoekslab
Breuken, verhoudingen, procenten en kommagetallen zijn voor veel leerlingen moeilijk. Onderzoek laat zien dat er grote verschillen tussen leerlingen zijn. Ook laten recente onderzoeksgegevens zien dat de prestaties van de leerlingen op de onderdelen breuken, kommagetallen en verhoudingen in de afgelopen tien jaar, ondanks nieuwe rekenmethoden, niet veel beter zijn geworden. Het huidige reken-wiskundeonderwijs in de bovenbouw zoals dat in de methoden uitgewerkt is, leidt aan overladenheid.
Gelet op de beschikbare onderzoeksgegevens, de voortdurende maatschappelijke discussie over bereikte prestatieniveaus binnen rekenen-wiskunde, vragen over het gehalte van de β-cultuur van het onderwijs, plaatsen de doelstellingen van het onderwijslab midden in de actualiteit.
Het lab heeft als algemeen doel te onderzoeken of het veranderen van sommige onderdelen binnen het bestaande programma van rekenen-wiskunde leidt tot onderwijs waar alle kinderen beter van worden in die zin dat zij meer dan voorheen met wiskundige middelen greep krijgen op de wereld om hen heen.
Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.
- 1) De samenhang tussen breuken, verhoudingen en kommagetallen wordt sterker gemaakt;
- 2) In de te ontwerpen lessen staat het (opnieuw) ontdekken van kerninzichten als maatwisseling en maatverfijning van wiskunde centraal onder begeleiding van de leraar. In dit kader gaat veel aandacht uit naar de vraag van het waarom (motief) van de activiteit;
- 3) De nadruk komt te liggen op het begrijpen van wiskundige kerninzichten door te actief te werken aan problemen en daarover te (leren) redeneren. Een belangrijk aspect betreft het problematiseren van de wijze waarop de opgedane ervaringen weergegeven moeten worden;
- 4) Uitwisseling van ideeën over aanpakken en oplossingen tussen leerlingen onderling en tussen leerlingen en leraar krijgen de klemtoon in interactief, groepsgericht onderwijs. De 'postermethode' speelt hierin een rol van betekenis;
- 5) Inspelen op verschillen tussen leerlingen krijgt gestalte door globale oplossingen en schattend rekenen meer in het middelpunt te plaatsen van groepsgerichte activiteiten. Precies rekenen verschuift wat meer naar de achtergrond.
Onderzoeksvragen
Hoewel rekenen-wiskunde voor buitenstaanders een gesloten discipline/schoolvak lijkt te zijn waarbinnen niets meer te ontdekken valt, weten insiders dat het tegenovergestelde het geval is. Veel vragen met name op het didactisch vlak zijn nog open en moeten langs de weg van gericht uitproberen beantwoord worden. Uitgezocht moet worden welk deel van die antwoorden van belang is voor andere onderwijssettings, en welk deel uniek en situatiespecifiek lijkt. Het delen van ideeën en uitwisselen van ervaringen vormen belangrijke bestanddelen van de professionalisering. In het vinden van oplossingen wordt veel ruimte gemaakt voor de creativiteit, praktijkervaringen en de verantwoordelijkheid van de (a.s.) leraar.
Door het exploratieve karakter van het onderzoek is het doel in eerst instantie gericht op het 'begrijpen' van de onderzoeks-/onderwijssituatie. Mede om deze reden kan het onderzoek als een aktieonderzoek getypeerd worden. In feite tracht het onderzoek grip te krijgen op een drietal met elkaar samenhangende vragen.
- 1) Invalshoek leerling: lukt het om de leerlingen aan de hand van voornoemde karakteristieken meer zicht te geven op een aantal kerninzichten van rekenen-wiskunde en leidt dit tot betere prestaties?
- 2) Invalshoek leraar: Wat is er qua onderwijshandelen - kennis en repertoire - voor nodig om dit vernieuwde onderwijs gericht op het verwerven van kerninzichten effectief te maken?
- 3) Invalshoek onderwijscontext. In welke mate zijn de verworven inzichten overdraagbaar naar niet-onderzoekssettings c.q. aan welke voorwaarden moet de leeromgeving dan in de brede zin voldoen?
Onderzoeksmethode
Omdat het om een nieuwe vorm van onderwijs gaat is het van groot belang om de leerprocessen van de leerlingen (onderzoeksvraag 1), de onderwijsactiviteiten van de leraar (vraag 2) en de leeromgeving (vraag 3) zo goed mogelijk in kaart te brengen. Een veelheid aan gegevens zal verzameld worden om de rijkdom van het onderwijs te vangen. Onderzoeken en leren zullen daarbij hand in hand gaan. Het gericht (herhaald) uitproberen en evalueren van lesontwerpen vormen even groot bestanddeel van dit actie-onderzoek als observaties en interviews.
Beschrijvingen van onderwijsleersituaties, nauwkeurige observaties en analyses van het denken van de leerlingen en van het onderwijshandelen in interactieve settings vormen het hart van de verzamelde gegevens. Met het oog op de bewerking van die gegevens zal waar mogelijk met video-opnamen gewerkt worden.
Het actieonderzoek kent behalve een ontwerpend deel ook een constaterend deel. Om deze reden ligt het in de bedoeling (sommige) leerlingen voorafgaande aan de ontworpen lessenreeks en na afloop daarvan, interviewen. Ook deze gesprekjes zullen op video vastgelegd worden. Deze opnamen maken het mogelijk om het leren van de kinderen beter te volgen, het onderwijshandelen daarop beter af te stemmen en vooruitgang in (denk-)ontwikkeling vast te leggen.
Het actie-onderzoek leidt tot een woord- en (video-)beeldverhaal van vernieuwend reken-wiskundeonderwijs. De beelden wordt ingekleurd door en vergezeld van de onderwijsverhalen (narratives) van de rechtstreeks betrokkenen.
Slechts een klein deel van de opnamen zal uiteindelijk gebruikt worden voor dit beeldverhaal. Het overig materiaal zal vernietigd worden. Het spreekt vanzelf dat al het bruikbare materiaal van privacy-gevoelige informatie ontdaan zal worden.
Daarnaast zal er (tussentijds) over aspecten van het onderzoek gepubliceerd worden in (vak-) tijdschriften als Volgens Bartjens.




